HOMOSEKSUALITEIT BIJ DE TRADITIONELE VERENIGINGEN
‘Bij de ontgroening verzwijg je het’
Volgens de statistieken is vijf tot tien procent van de bevolking homo.
Maar bij Vindicat en Albertus moet je goed zoeken. Homo’s komen bij
traditionele verenigingen niet snel voor hun voorkeur uit. De Heeren van
Groningen ‘trekken ze niet uit de kast’, maar willen wel helpen: “We leven
in een heteromaatschappij. Je moet lef hebben, om af te wijken van het
gemiddelde.”
Sander Koenen
‘Bij je ontgroening verzwijg je het, je liegt. Iemand maakt een opmerking:
waarom heb jij een roze shirt aan, je bent toch geen homo? Hij heeft het
niet tegen jou, maar toch ben je bang, bang om ermee vereenzelvigd te
worden. Zeg je het wél, dan gaat het rond. Je ligt eruit.” Ruben de Vries,
eerstejaars rechten, heeft twee keer op het punt gestaan om lid te worden
van Vindicat. Hij deed het niet. Mede omdat hij geen zin had in de moeilijkheden
die je gegarandeerd tegenkomt, bang voor reacties. Hij is het oneens met
de manier waarop over homo’s wordt gesproken. Het is niet tegennatuurlijk,
het is niet raar.
De Vries richtte eerder dit jaar samen met vierdejaars geneeskunde Martijn
Anneveld een stichting op: Heeren van Groningen. Dat begon met een community
op internet, een virtuele ontmoetingsplaats voor gelijkgestemden in het
studentenleven. Honderden hits, maar het gros afkomstig van ‘plaatjeszoekers’.
Van de twintig mensen met serieuze inbreng is een tiental actief lid geworden.
Waarom de rest afgehaakt is, blijft onduidelijk. De actieve leden komen
naar de borrel, eens in de zes weken. Homoseksualiteit is nauwelijks onderwerp
van gesprek. Dat is een gepasseerd station. Het gaat juist over de dagelijkse
dingen, net als bij ‘gewone’ verenigingen.
De Heeren springen niet op de barricaden, zoals anderen dat wel doen tijdens
de Gay Games of de Love Parade. “Waarom zouden we ons profileren, als
we juist willen laten zien dat we niet ‘anders’ zijn? We zijn géén praatgroep,
géén extraverte vereniging of een stel wereldverbeteraars”, zegt Anneveld.
“Anderen zien mij als Martijn-de-homo, terwijl ik in wezen gewoon Martijn
ben, met zijn eigen interesses en kwaliteiten. Sommigen kost het echt
moeite om dat te zien.”
Uit de kast
De zelfverzekerdheid waarmee Anneveld over zijn geaardheid vertelt, is
wel eens minder geweest. Als lid van Albertus kostte het hem twee jaar
voordat hij ‘uit de kast’ durfde te komen. “We leven in een ontzettende
heteromaatschappij. Verwacht wordt dat je een vrouw krijgt en kinderen.
Voordat je tegen dat beeld in gaat en vertelt dat je homo bent, moet je
het eerst voor jezelf erg goed op een rijtje hebben.” Toen hij dat eenmaal
had en zijn clubgenoten in vertrouwen nam, bleek dat ze er weinig moeite
mee hadden.
Zo verging het ook een Vindicater, die liever niet bij naam genoemd wordt
vanwege de geruchtenmachine op de kroeg. “Als je met vierhonderd eerstejaars
de introductietijd doormaakt, heb je geen rolmodel homo om je aan op te
trekken. Hetero’s zijn er zat. Je moet ontzettend veel lef hebben, wil
je afwijken van het gemiddelde.” Die benodigde portie lef had hij niet.
Pas later kwam het onderwerp homoseksualiteit ter sprake in zijn jaarclub.
“Ze geloofden het niet, ze dachten dat ik een geintje maakte. Toen ze
zagen dat ik serieus was, gingen ze er best relaxed mee om. Achteraf gezien
heb ik er te moeilijk over gedacht. Ik had mijn eigen waarheid verzonnen
en het mezelf daarmee onnodig moeilijk gemaakt.”
Modewoord
Kun je dan toch de eerste woensdagmiddag op de kroeg vertellen dat je
homo bent? Zijn de stereotiepe beelden over traditionele verenigingen
en hun negatieve houding ten opzichte van homo’s onterecht? Als dat zo
was zou statistisch gezien vijf tot tien procent van het ledenbestand
uit de kast zijn. Dan zou de stichting Heeren van Groningen minimaal tachtig
leden tellen. En dan zou het predikaat ‘traditioneel’ of ‘conservatief’
in dit opzicht misplaatst zijn bij zowel Vindicat als Albertus.
Zo is het niet. Uit angst voor negatieve reacties houden veel homo’s zich
stil. De cultuur is er niet naar om je afwijkende seksuele voorkeur simpelweg
kenbaar te maken. Sterker: de cultuur is er een waarbinnen homo’s het
vaak moeten afleggen. ‘Kom op jongens, we zijn toch geen homo’s!’ is binnen
de verenigingen een veelgebruikte oppepper. ‘Homo’ is een modewoord, dat
regelmatig gebruikt wordt om ongenoegen te uiten. Soms zonder specifiek
doel of bedoelde lading, soms bewust gekozen. De Vries: “Een vriend van
mij heeft het tijdens de ontgroening zwaar te verduren gehad. Er zijn
heel nare dingen gebeurd.” Volgens De Vries gebeurt het vaker dat homoseksuelen,
vooral in het eerste jaar, worden aangevallen op hun seksuele voorkeur.
Het is onderdeel van ‘haantjesgedrag’. Daarvan afwijken past niet op de
kroeg. De studenten hebben de indruk dat dit gedrag bij nieuwe studentverenigingen
als Cleopatra en Dizkartes nauwelijks voorkomt.
De anonieme Vindicater bevestigt dat er veel ad hocgrappen worden gemaakt.
“Het is een mooi onderwerp om geintjes over te vertellen. Net als over
andere persoonskenmerken. Iemands lengte bijvoorbeeld, lekker makkelijk.”
Wie de confrontatie met zijn jaargenoten niet aandurft, gaat op zoek naar
gelijkgestemden. Het Groningse studentenleven kent een kleine homoscène,
met als ontmoetingsplaats de Golden Arm. Gek genoeg zijn de borrels van
de stichting Heeren van Groningen geen uitvalsbasis voor de homoscene.
“Misschien komt het door onze bedoeling, die is niet om mensen uit de
kast te trekken”, zegt Anneveld. “Als we de drempel kunnen verlagen, prima.
Verder zijn we een groepje mensen zoals er zoveel groepjes mensen zijn.
Je hebt clubs voor dertigplussers, voor schakers of juristen. Niet iedereen
heeft daar weet van en dat hoeft ook niet.”
Lees hier meer over de Heeren van Groningen 
en binnenkort in gebruik: www.heerenvangroningen.nl
|