UK 30 | 28 april 2005 | jaargang 34

W.F. Hermans en de professoren van de Rijksuniversiteit Groningen

‘Hang ze op aan de Martinitoren’

Tien jaar geleden, op 27 april 1995, overleed Willem Frederik Hermans. Tot zijn vrijwillig ontslag in 1973 werkte de auteur als fysisch geograaf aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarna besteedde hij een groot deel van zijn tijd aan het bestrijden van de RUG. Wat ging er mis tussen Hermans en de universiteit? Een reconstructie: “Ik had natuurlijk ontzettend veel vijanden in Groningen.”

Ernst Arbouw

Niet veel medewerkers van de Rijksuniversiteit Groningen kunnen zeggen dat over hun werk ooit vragen zijn gesteld in de Tweede Kamer. Waarschijnlijk helemaal niemand. Behalve schrijver en lector fysische geografie dr. Willem Frederik Hermans. De Kamervragen vormen een hoogtepunt – of zo je wilt het dieptepunt – in de getroebleerde en rumoerige verstandhouding tussen de schrijver en (een deel van) zijn collega’s, studenten en het universiteitsbestuur. Die verstoorde verstandhouding leidde uiteindelijk tot Hermans’ vrijwillige ontslag in 1973. De auteur vestigde zich daarna in Parijs en trakteerde het publiek twee jaar later op de roman ‘Onder professoren’ waarin hij een vernietigend beeld schetst van de Rijksuniversiteit Groningen, of iets wat daarvoor door kan gaan.
Tussen Hermans en de Rug kwam het nooit meer goed. Er volgden nog twee boeken waarin Hermans afrekent met Groningen en de RUG: ‘Uit talloos veel miljoenen’ (1980) en de postuum verschenen novelle ‘Ruisend Gruis’ (1995). Verder moest de RUG het ontgelden in essays, polemieken en in een handvol interviews. De auteur was verongelijkt over de manier waarop hij was behandeld, zoveel is wel duidelijk. Maar wat is er nou precies gebeurd? En wat ging er verkeerd?
Het lijkt erop dat Hermans en de RUG het over één ding eens zijn. De kern van het conflict tussen de schrijver en de universiteit was de beschuldiging dat Hermans zijn wetenschappelijke werk zou verwaarlozen. In het jubileumboek ‘Rijksuniversiteit Groningen 1964-1989’ verwijst samensteller Emile Henssen naar het blad Girugten, gemaakt door studenten sociale geografie. Dat zou in de loop van 1971 hebben geschreven dat Hermans nauwelijks college gaf en soms wekenlang niet op de universiteit aanwezig was. Ook Hermans’ biograaf Hans van Straten noemt het artikel in Girugten, maar hij komt met een bron die de schrijver van het jubileumboek kennelijk over het hoofd zag. De studenten zouden de aantijging hebben overgenomen uit een artikel in het toenmalige weekblad Haagse Post. Daarin zegt de Groningse hoogleraar A.G. Wiggers dat Hermans bijna nooit op de universiteit aanwezig is. “Zijn wetenschappelijk medewerker ziet hem één keer in de drie à vier maanden.”
Het bericht in Girugten werd opgepikt door de Groninger universiteitskrant UK, die in december 1971 over de kwestie schreef. Het artikel in de universiteitskrant werd gelezen door de noordelijke correspondent van dagblad Trouw. En zo kwam het terecht bij de kamerleden Arend Vermaat en Jan de Koning, de latere minister van Sociale Zaken.
Hermans vertelde een paar jaar later in een interview met Cees Nooteboom dat er maar één reden was dat de zaak zo op de spits gedreven werd: zijn bekendheid als auteur. In zijn tijd in Groningen schreef Hermans zijn meest bekende, en meest succesvolle, boeken: ‘De donkere kamer van Damokles’ (1958) en ‘Nooit meer slapen’ (1966). Dat zou aanleiding zijn geweest voor kuiperij en jaloerse reacties van collega’s. “Toen werd dus gezegd, want ik had natuurlijk ontzettend veel vijanden in Groningen: ‘Ja kijk, die Hermans, hoe kan dat, dat die zo ontzettend veel boeken schrijft, dat kan alleen maar, omdat hij zijn andere taken verwaarloost’.”

Daar komt bij dat de verhoudingen binnen de subfaculteit geografie, zacht gezegd, niet optimaal waren. Hermans lag overhoop met hoogleraar Ronald Tamsma en had ernstige moeite met de democratiseringsbeweging van de studenten. De auteur was in de jaren daarvoor bovendien verwikkeld in twee langdurige en geruchtmakende rechtszaken: één met zijn uitgever Geert van Oorschot en één over de vermeende belediging van het katholieke volksdeel in de roman ‘Ik heb altijd gelijk’. Hermans stak, kortom, met zijn kop boven het maaiveld uit.
De verantwoordelijke minister had nooit op de vragen van de Kamerleden in mogen gaan, vond Hermans. In de polemische bundel ‘Ik draag geen helm met een vederbos’ schreef hij na zijn vertrek uit Groningen “dat er academische docenten zijn geweest die soldaten voor het Duitse leger hebben geronseld, professoren die bordeel hielden, of in het academisch ziekenhuis betrapt werden op het plegen van ontucht met kinderen van zes jaar, waarna ze de verpleegster die ze betrapt had op straat lieten gooien. Er waren geleerden die de budgets van hun instituten vergokten in Monte Carlo. Maar nooit werden er in de Kamer vragen over gesteld.”
Toch zag de minister aanleiding de vragen voor te leggen aan het bestuur van de universiteit. Daarop stelde de RUG een commissie in. Een groot deel van de geruchten werd in het rapport van die onderzoekscommissie weggenomen, al plaatste de samenstellers wél vraagtekens bij de manier waarop “Dr. H.” het onderwijs inrichtte. Volgens biograaf Van Straten kreeg Hermans het aanbod om hoogleraar literatuurwetenschap te worden. Die mogelijkheid wees hij af omdat dit opgevat zou kunnen worden als een soort schuldbekentenis.
De schrijver besloot een ontslagaanvraag in te dienen. Dat zou, onderkende hij, ook als schuldbekentenis uitgelegd kunnen worden. In zekere zin gebeurde dat ook. Bij de beantwoording van de Kamervragen, bijna anderhalf jaar nadat ze gesteld waren, liet de verantwoordelijke staatssecretaris weten dat “de lector op wie in deze vragen werd gedoeld, op zijn daartoe strekkend verzoek eervol ontslag is verleend met ingang van 1 september 1973”. Daarbij verzuimde de bewindsman te vermelden dat Hermans in het Groningse rapport voor een groot deel van blaam gezuiverd werd.
Van Straten constateert in zijn W.F. Hermans-biografie dat Hermans vandaag de dag een beroep had kunnen doen op de Nationale Ombudsman om zich te beklagen over de behandeling die hem ten deel was gevallen. Waarschijnlijk zou Hermans zich aan die vaststelling gestoord hebben. De schrijver was prima in staat om voor zichzelf op te komen – met de pen. Daarbij moesten vooral Kamerlid Jan de Koning en professor Tamsma het ontgelden. Toen hij kort voor zijn dood werd uitgenodigd als eregast op het Groningse literair festival Winterschrift, liet hij via zijn secretaresse weten dat hij slechts op één voorwaarde zou komen: “U moet de (ex)professoren Tamsma en De Koning op de Grote Markt halfnaakt aan staken binden, langzaam half dood martelen, en vervolgens lichtelijk roosteren boven een kittig houtvuurtje en tenslotte ophangen aan de Martinitoren.”
Hermans sprak uiteindelijk op een lezing in Leeuwarden.


‘Onder professoren’ en de werkelijkheid

De roman ‘Onder professoren’ geldt algemeen als dé grote afrekening van Hermans met Groningen en de Rijksuniversiteit. Het boek zou een sleutelroman zijn waarin de schrijver een genadeloos beeld schetst van het doen en laten van zijn voormalige collega’s. Volgens Gilles Dorleijn, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de RUG, is het idee dat het gaat om een sleutelroman vooral aangewakkerd door de journalistiek. Niet in de laatste plaats door het toenmalig Nieuwsblad van het Noorden, dat kort na het verschijnen van het boek een uitgebreide wie-is-wie publiceerde.
‘Onder professoren’ eindigt met een nawoord van “prof. B.J.O Zomerplaag, hoogleraar in de vergelijkende literatuurwetenschap aan de Rijksuniversiteit te Groningen” – een pseudoniem van Hermans. Zomerplaag waarschuwt het boek niet te lezen als een sleutelroman. “We moeten Onder professoren niet lezen als sleutelroman, d.w.z. een geschiedenis die nagenoeg echt zo gebeurd is, met personages die echt bestaan onder andere namen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Zelfs zou men zich deerlijk vergissen door te denken dat de dorpsuniversiteit waar de geschiedenis speelt geen andere dan die te Groningen zou zijn.”
Dorleijn onderschrijft het nawoord van Zomerplaag/Hermans. ‘Onder professoren’ is eerder een roman waarin Hermans de universiteit gebruikt als decor voor zijn wereldbeeld. Als je vanuit die invalshoek naar het boek kijkt, past het werk naadloos in het oeuvre van de schrijver, betoogt Dorleijn. In dat oeuvre wordt de wereld geregeerd door chaos en zijn menselijke relaties constant blootgesteld aan kwaadwilligheid en onbegrip: moedwil en misverstand.
Door de roman slechts te lezen als een wie-is-wie-puzzeltje van de Groningse universiteit, doe je het boek geen recht, zegt Dorleijn. Ook de schrijver zelf reageerde volgens zijn biograaf Hans van Straten knorrig toen een student het presteerde om alle personages in het boek te identificeren. Het boek zou helemaal niet in Groningen spelen en Hermans had ‘het universiteitsstadje’ helemaal verzonnen.
Dat laatste lijkt overigens ook niet helemaal waar. Onder zijn pseudoniem Zomerplaag schrijft Hermans zelf: “Anderzijds zou het natuurlijk ondenkbaar zijn dat Hermans, toen hij ‘Onder professoren’ schreef, in het geheel niets ontleend zou hebben aan de Groningse academia, waar hij zo vele jaren heeft doorgebracht.”
Het is wel duidelijk dat Hermans geprobeerd heeft de RUG een hak te zetten, zegt Dorleijn. De karakters in ‘Onder professoren’ zijn in ieder geval voor een deel gebaseerd op bestaande personen. Daar komt bij dat sommige namen in het boek wel erg veel gelijkenis met de werkelijkheid vertonen. Zo heet de kwade tegenstrever van de hoofdpersoon “professor Tamstra”, nauwelijks verschillend van “professor Tamsma”, Hermans’ grote tegenstander op het instituut. Tamsma verklaart in interviews nog steeds dat hij Hermans beschouwt als grote nagel aan zijn doodskist – om daar overigens aan toe te voegen dat hij ‘Onder professoren’ nooit gelezen heeft.
Hermans gebruikt de universiteit vaker als decor. Dat leidt tot een vernietigend inkijkje in het universitaire leven. ‘Uit talloos veel miljoenen’, een roman uit 1980, gaat bijvoorbeeld over een mislukte universiteitsmedewerker die het maar niet tot hoogleraar brengt. Dit boek speelt overduidelijk aan de RUG. In tegenstelling tot in ‘Onder professoren’ worden de stad Groningen en het nabijgelegen Paterswolde in het boek bij naam genoemd. In ‘Nooit meer slapen’ wordt, tegen de achtergrond van een wetenschappelijke expeditie in het noorden van Noorwegen, een beeld geschetst van kibbelende professoren die hun onderlinge haat en nijd afreageren via hun promovendi.
Het nawoord van ‘Onder professoren’ bevat nog een aardige sneer naar de RUG. Zomerplaag schrijft dat Hermans het boek schreef op de achterzijde van gestencilde universitaire mededelingen. “Al dat kostelijke papier, dat anders vluchtig of helemaal niet gelezen in de vuilnisbak terecht zou zijn gekomen om het milieu te verontreinigen, is door de schrijver dan toch nog op een heel nuttige manier gebruikt.
Dit is het Bestuur van de Rijksuniversiteit te Groningen niet ontgaan en onmiddellijk na Hermans’ vertrek heeft men een verordening uitgevaardigd dat het papier voortaan aan beide zijden moet worden bestencild.
Klaarblijkelijk durft men niet het risico te lopen, dat er nogmaals een roman zal worden geschreven op de achterzijde van eenzijdig gebruikt rijksstencilpapier.”
En de lijst met namen die het Nieuwsblad van het Noorden publiceerde? Hermans had zelf vermoedelijk niet veel op met de regionale krant. Als in ‘Onder professoren’ hoofdpersoon Rufus Dingelam een Nobelprijs wint, drukt de krant de verkeerde foto af – in het Nieuwsblad staat een afbeelding van de kwade genius Tamstra. Het brengt Dingelam tot een verzuchting waarvan je kunt vermoeden dat hij recht uit het hart van de schrijver komt: “Het waren aardige, beschaafde, intelligente mensen die het Nieuwsblad van het Noorden niet lazen.”


Citaten uit de UK van 15 december 1971

“In de subfaculteit der Geografie is voor de zoveelste keer onrust ontstaan rond de positie van de interfacultaire lector dr. Willem Frederik Hermans, ook bekend als auteur.
Verschillende geografen bevestigen het gerucht dat W.F. Hermans dit jaar nog niet op het instituut is gesignaleerd (tegenover één bezoek in het jaar 70/71).”

“Het subfaculteitsblad ‘Girugten’meldt in het laatste nummer dat de wetenschappelijke staf bereid is de actie van de studenten tegen W.F. Hermans te steunen. Deze bereidheid [...] vindt zijn basis in de weigering van W.F. Hermans om nog langer responsie-colleges te geven in de klimatologie, waarmee de laatste onderwijsbijdrage van Hermans aan de subfaculteit zou komen te vervallen.”

“Namens het Dagelijks Bestuur van de subfaculteit richtte prof. dr. R. Tamsma een brief aan de betrokken eerste- en tweedejaars-commissies. [...]
In dezelfde brief (van 27 nov. jl.) suggereerde prof. Tamsma de studenten rechtstreeks met Hermans contact op te nemen. Een bezoek leverde aanvankelijk niets op. Na lang aandringen wilde Hermans wel responsie-colleges geven, mits voldoende opkomst en goede voorbereiding van de kant van de studenten.”

“Het daarop volgende telefoongesprek met de omstreden lector nemen we in z’n geheel uit Girugten over:

Mevrouw Hermans komt aan de telefoon en haalt Willem.
Hermans: met Hermans
Commissie: goedemiddag. U spreekt met...
Hermans: goedemiddag meneer Hermans zegt u dan.
Commissie: als ik door de telefoon spreek, dus met een persoon, dan weet die persoon wel, dat als ik “goedemiddag” wens, wie ik “goedemiddag” wens.
Hermans: nou, u hebt vermoedelijk een slechte opvoeding gehad.
Commissie: dan moet u mijn ouders maar eens bellen. Goed, vanmiddag is er een algemene eerstejaarsvergadering geweest en daar is besloten dat het eerste jaar als geheel naar de responsie-colleges zal gaan. Men wil om de anonimiteit te bewaren, de namen niet opgeven; er zijn ca. 160 eerstejaars [...].
Hermans: daar ga ik natuurlijk niet mee accoord. Als ik iemand een vraag stel wil ik hem ook kunnen aanspreken en moet ik zijn naam kennen. Ik kan hier niet mee accoord gaan. Denkt u er nog maar eens over na.
Commissie: dat hoef ik gelukkig niet alleen te doen, daar heb ik 160 mensen voor.
Hermans: des te beter. Goedemiddag.
Commissie: (tegen de zoemende telefoon) goedemiddag.

| top