UK 20 | 08 februari 2007 | Jaargang 36

discriminatie

De beleving van gelijke berechtiging

René Fransen

De ‘Algemene wet gelijke behandeling’ moet garanderen dat niemand wordt gediscrimineerd. Maar werkt de wet wel? Rechtssocioloog Marc Hertogh werkte mee aan een evaluatie. “We kijken niet alleen naar naleving, ook naar beleving.”

Een gemeente heeft met alle scholen een afspraak over gedwongen spreiding van leerlingen. Dit om te voorkomen dat er ‘zwarte scholen’ ontstaan, met vooral achterstandsleerlingen. Maar de ouders van een kind dat niet op de school van eigen keuze is toegelaten, stappen naar de Commissie Gelijke Behandeling. Die concludeert dat wat de gemeente doet niet strookt met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).
“Juridisch klopt het wat de commissie heeft gezegd. Maar volgens de betrokkenen is de spreiding juist erop gericht om de emancipatie van minderheden te bevorderen.” RUG-hoogleraar rechtssociologie Marc Hertogh kwam het voorbeeld tegen tijdens de evaluatie van de AWGB. Hij gaf leiding aan een team dat keek naar de manier waarop de wet in de praktijk werkt. “Anderen keken of de wet bijvoorbeeld wel past in de Europese wetgeving. Maar mijn insteek was, om te onderzoeken hoe er vanuit de maatschappij naar de wet werd gekeken, of mensen er mee uit de voeten kunnen. We kijken niet alleen naar naleving, ook naar beleving.”
Het onderzoek maakte deel uit van de tweede evaluatie van de AWGB. Zo’n evaluatie, iedere vijf jaar, is verplicht voor nieuwe wetten. Het resultaat, een boekwerk van ruim 550 bladzijden, is in december naar Kabinet en Tweede Kamer verstuurd. “Maar ze zijn er nog niet aan toegekomen het te bespreken.”
Het team van Hertogh hield onder meer een enquête onder burgers en interviews met mensen die professioneel met de AWGB te maken krijgen. Bij burgers viel op dat allochtonen twee keer zo vaak zeggen met ongelijke behandeling te maken te hebben gehad dan autochtonen (45 tegen 22 procent). Van ondervraagde homoseksuelen was 38 procent wel eens gediscrimineerd. “Achter die cijfers zit ook een maatschappelijke ontwikkeling”, legt Hertogh uit. Toen de wet in 1994 tot stand kwam, na jarenlang politiek gekibbel, was ze vooral bedoeld om ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te bestrijden. “Maar als je mensen nu vraagt: waar gaat die wet over? dan noemen mensen ook gelijke behandeling van mensen met verschillend ras, etniciteit of religie. Bij jongeren wordt ‘ras’ vaker genoemd dan gelijkheid tussen man en vrouw.”
De wet staat dus in een heel andere context dan waar ze voor geschreven is. “Je ziet ook dat er steeds meer discriminatiegronden aan deze en vergelijkbare wetten zijn toegevoegd, zoals leeftijd en handicap en er wordt gesproken over samenlevingsvorm als nieuwe grond. Onze conclusie is dat er nu een kritische grens is bereikt. Er moet ook draagvlak voor de wet blijven bestaan.”
Het maar de vraag of al die verschillende soorten discriminatie via dezelfde wettelijke regeling kunnen worden aangepakt. “En of de commissie gelijke behandeling in al die gevallen wel functioneert.” Het voorbeeld van het spreidingsbeleid voor scholieren, spreekt boekdelen. “Professionals die wij interviewden, vinden de uitspraken van de commissie te zeer op specifieke gevallen gericht. Het is daarom moeilijk ze te vertalen naar de praktijk. Daarnaast moet de commissie zich strikt aan de wet houden, waardoor ze de context niet kunnen meewegen.”
De commissie gelijke behandeling heeft zichzelf overigens ook geëvalueerd. Daaruit bleek dat in zeventig procent van de gevallen de – niet bindende – uitspraken van de commissie zijn opgevolgd. “Maar in diezelfde evaluatie staat ook, dat de helft van alle klagers vindt dat ze met de uitspraak van de commissie niet dichter bij een oplossing zijn gekomen”, weet Hertogh. “Dat komt overeen met wat wij in ons onderzoek vinden, dat wat gewone burgers onder ‘gelijkheid’ verstaan iets anders is als het begrip waarmee de commissie werkt.”

| top